woensdag 7 augustus 2013

SURROGATEN VOOR TABAK

Surrogaten voor tabak

Gedurende de tweede wereldoorlog was er in Nederland gebrek aan allerlei grondstoffen. Vindingrijk geworden in de eerste wereldoorlog werden o.a. vervangers ontwikkeld voor koffie, thee en tabak. Onder de naam surrogaten kwamen ze in de handel.


Voor de tabaksproducten werden als grondstof gedroogde bladeren gebruikt, waarbij de ene soort beter geschikt was dan de andere om een enigszins rookbaar product te verkrijgen. Tijdens de tabaksschaarste, die in 1942 aanving met de invoering van het distributiesysteem, hadden steeds meer fabrieken in de tabaksbranche te maken met teruglopende productie en de meesten kwamen daardoor stil te liggen. Een klein aantal schakelde over op het produceren van surrogaten.Vanaf 8 april 1943 (Staatsblad) kon men niet vrij produceren maar had men van het Rijks Bureau voor Tabak en Tabaksproducten (R.B.T.T.) een vergunning nodig. Wie surrogaten wilde maken kon zich bij dit bureau melden. De aanvrager moest vervolgens kenbaar maken welke bladsoorten hij wilde gebruiken. Over de samenstelling (melange) werd de geheimhouding gewaarborgd. Vervolgens werd een monster van het te produceren surrogaat naar het Rijksinstituut van volksgezondheid in Utrecht gestuurd, om op giftige stoffen te worden onderzocht. De monsters die door het instituut goedgekeurd werden konden in productie gaan. Deze fabrieken kregen van het R.B.T.T. een vergunning en zij werden via publicaties en de media officieel bekend gemaakt. Zonder vergunning produceren leidde tot hoge boetes of sluiting. In 1943 hadden 3 sigarettenfabrieken, 7 kerftabaksfabrieken en 26 sigarenfabrieken een vergunning.

De grondstof voor surrogaten

In de periode 1943 tot 1945 werden  de meeste surrogaten gefabriceerd. Er ontstond een drukke handel in bladsoorten door handelaren in tabak, drogerijen, en handelsondernemingen waaronder agenturen en commissiehandelaren.  Een grote variatie gedroogde bladsoorten (gesneden of ongesneden) werd aangeboden. In facturen uit 1943 komen we tegen: appelblad, bosbessenblad, bramenblad, elzenblad, essenblad, esdoornblad, eikenblad, aardbeienblad, frambozenblad, brandnetelblad, ongezwavelde hop, prunusblad, kersenblad, perenblad, notenblad, bietenblad, blauwmaanzaad, tuinbonenblad,pronkbonenblad, meidoornblad, erwtenblad en verschillende melanges.


Door middel van monsters werden de bladeren door de tussenhandel aan de fabrieken aangeboden. Bij geschiktheid werden partijen van wel duizenden kilo’s aangeschaft met een prijs variërend tussen 65 cent en fl.2,-  De meest geschikte bladsoorten kosten ongeveer fl.1.50. Het R.B.T.T. bepaalde de maximum prijs per bladsoort. De bladeren werden in balen van 50 kilo of in papieren zakken van 15-20 kilo geleverd. Deze zakken moest men retourneren, anders werd f 0.50 per zak in rekening gebracht. Niet elk blad was geschikt voor elk surrogaat. Voor sigaretten koos men het fijne blad, voor kerftabak wat steviger blad en voor het binnenwerk van sigaren een melange. Als dekblad kon b.v. bietenblad gebruikt worden en als er geen geschikt dekblad voorhanden was werd kunstdekblad gebruikt waarin papier verwerkt zat. In december 1943 beperkte het gebruik van kunstdekblad zich tot de senoritassigaar in de prijsklasse tot 8 cent.

Sommige bedrijven boden bladmateriaal aan dat vooraf gesneden of gearomatiseerd was. De inkoopprijs was dan hoger. De aanvoer van de bladeren was niet altijd constant. De problemen lagen bij het vervoer, de beschikbare voorraad of bij de importeur. Zo kwam de ongezwavelde hop meestal uit het buitenland (Duitsland, Tsjecho-Slowakije) echter men moest maar afwachten wanneer het afgestuurd werd.

Surrogaatproducten


De fabrieken die surrogaatproducten produceerden moesten zich houden aan de Tabak en Tabaksproductenbeschikking van 1940, waarbij in deze wet weinig onderscheid te bespeuren valt tussen echte onbewerkte tabak en surrogaten. Surrogaattabak viel eveneens onder de distributiewet.
Ook waren er regels voor de verpakking van surrogaten.Op de verpakking moest de naam van de fabrikant of zijn merk vermeld worden. Verder het R.B.T.T.nummer, de consumentenprijs, de inhoud, aantal of gewicht van het artikel en het opschrift: SURROGAAT” en “ BEVAT GEEN TABAK”. De producten die men produceerde zijn: surrogaat sigaret, surrogaat rooktabak, surrogaat pruimtabak, surrogaat senoritas, surrogaat sigaar, en surrogaat snuiftabak

Merken tabaksurrogaat

Door de strikte verpakkingsregels deponeerden fabrieken nieuwe merken voor hun surrogaatproducten. Het lezen van oude facturen van sigarenzaken en het kijken in privécollecties leverde de volgende merken op:
Sigarettenmerken: Subliem, Remplacant, Saffiaantjes, Blazertjes, Bijsi, Succes.
Alle verpakkingen bevatten 20 sigaretten en kosten 25 ct per pakje.


Rooktabak: Faverta cigaretten en rooktabak, Edelkruid, Lieftincks Perfect, Lieftincks Reukbaai, Welle's  AHA, 't Schippertje.
Prijzen en gewicht zijn verschillend, van 30 tot 65 cent.


Pruimtabak: Faverta Pruim, Pruim 1943, Lieftincks Novum, Surbat, Philips 1943, Paraat. Per 50 gram kostte een pakje 25 tot 30 cent.

Sigaren: Susy, Merie, Reco, Bellona, Barok stokjes, Barok stijltjes, Jabela Karel I, Marcellus, Pieter Both, Ersiga, Erseno, Tojo, Veno, Pasja, Markla.
Sigaren werden meestal verpakt in doosjes van 10 stuks. De gemiddelde prijs was 50 cent.





In artikel 3 van het “ Prijsvoorschrift 1943 Surrogaten voor tabaksproducten”  wordt de maximale verbruikersprijs vastgesteld. Voor sigaren is dat 8 cent per stuk, voor senoritas 4 cent, surrogaatsigaretten 1 ¼  ct per stuk, en voor rook- pruim- snuif- en shagtabak 32 ½ cent per 50 gram.

Schiedamse Courant 17-08-1943

In de winter van 1944 was tabak nauwelijks te krijgen en was men steeds meer aangewezen op surrogaatproducten. Daarnaast werd voor eigen gebruik gedurende de oorlog amateurtabak verbouwd. Zodra echter ons land bevrijd werd was het met de surrogaten gedaan. Een van de laatste inkopen stond op een rekening uit 1946. Oorzaak dat men de surrogaten vermeed was de invoer van tabak die langzaam op gang kwam, hoewel de eerste partij, afkomstig uit Zuid-Amerika van zeer slechte kwaliteit was. De fabrieken stopten met de productie van surrogaten en schakelden snel over op het verwerken van de ingevoerde echte tabak. Hoewel de surrogaatproducten de roker tot dienst zijn geweest waren ze nooit populair. Daarvoor stond de smaak te ver weg van de echte tabak. Een pluspunt  was dat de mogelijkheid werd geboden dat een aantal fabrieken door konden gaan met produceren, en een deel van de bevolking er zijn brood mee kon verdienen.

Bronnen:

-        Mededelingen van de vakgroep detailhandel in tabak en tabaksfabrikaten 1943 e.v
-          Tabak en tabaksproducten beschikking 1940
-          Facturen van diverse sigarenwinkeliers periode 1942-1946
-          Afbeeldingen uit privé collecties o.a. F.Tijmstra, C.Molendijk.
-          kranten.kb.nl


Geen opmerkingen:

Een reactie posten