maandag 21 januari 2019

DE RHODESIA SIGARET

Toen Nederland in 1945 bevrijd werd was er  een enorm tekort aan grondstoffen, waaronder tabak. De aanvoer van tabak kwam mondjesmaat op gang. Amateurtabak werd nog volop geteeld en de nog aanwezige tabak bij de fabrieken was te gering, en vaak van wisselende kwaliteit om eigen merken op de markt te brengen. De regering besloot een nieuwe eenheidssigaret in te voeren, net als bij de Consi tijdens de oorlog. Alle aanwezige tabak in ons land werd daarin verwerkt. De nieuwe sigaret kreeg de naam Rhodesia 

De regering kocht in 1945 10 miljoen kg tabak uit Rhodesia aan. In juni 1945 mocht een fabriek uit het zuiden van ons land de Rhodesia in productie nemen. Men beweerde dat de sigaret beter zou worden dan de Consi. De sigaretten werden in pakjes van 20 stuks verpakt en de prijs werd bepaald op 50 cent + 25 opcenten, totaal 75 ct per pakje. Dat was een hoge prijs, voornamelijk veroorzaakt door de tabaksbelasting. De distributie liep via de Rode Kruiswinkels, omdat zij al eerder ervaring hadden opgedaan met verdeling.




De Rhodesia tabak is een lichte virginia soort. In juli waren 1.440.000 pakjes gereed die bestemd waren voor de regio Twente. Op bon nr. R 13 werd aangevangen met de verdeling, maar het zou tot oktober duren voordat zij allemaal in Twente verspreid waren. Daarna volgde snel de rest van het land. De sigarettenfabrieken in het westen konden weer gaan draaien. De reactie van de rokers was positief, de Rhodesia viel best mee. Men hoopte van september tot december 2 rantsoenen per 14 dagen te kunnen verstrekken. De vraag naar sigaretten was gestegen, doordat gemobiliseerde legers veel afnamen en tabak uit Oost-Europa al gereserveerd was door andere landen en niet aangekocht kon worden.



Winkeliers die nog een restantvoorraad Consi bezaten konden die tegen de oorspronkelijke factuurprijs omruilen voor Rhodesia. Deze sigaretten waren vanaf 30 augustus op de bon voor 75 cent verkrijgbaar door het hele land, soms verpakt in oude verpakkingen met opdruk Rhodesia. Oorzaak was gebrek aan grondstof voor nieuw verpakkingsmateriaal. Op de sigaret zelf staat het merk Rhodesia wel vermeld.


In september kwamen er importsigaretten uit Engeland en Amerika op de markt. Merken zijn o.a. Graven A, Graven plain, State Express 333, Gold Flake, Players, Marvel en Shirley. Deze sigaretten waren niet gebanderoleerd en kosten 60 cent per 10 stuks, en f 1,20 per 20 stuks.
Er kwam een distributie met het volgende schema: de ene week 40 sigaretten Rhodesia, de volgende week 20 importsigaretten, en dan weer van voren af aan.

Op 1 december werd Rhodesia verlaagd naar 60 cent. De oude voorraad Rhodesia  van 75 cent moesten wel eerst verkocht worden, vervolgens de ongebanderolleerde van 60 cent en tenslotte de gebanderolleerde van 60 cent. Al met al was de roker veel duurder uit dan voor de oorlog. Kostten toen 7 pakjes per week ongeveer f 1,05 nu was de roker f 4,20 kwijt aan zijn rokertje.

Jan Hengelman schreef in 1945 het volgende gedicht:

Eind november 1945 kwam al het bericht dat Rhodesia in de toekomst zou gaan verdwijnen. De winkeliers konden met de sigaret weinig winst maken en hadden een moeilijk bestaan. En dat terwijl er op de zwarte markt soms 5 gulden voor een pakje Rhodesia werd geboden. Voor import sigaretten was de prijs nog hoger en liep op tot 10 gulden.
Sigarettendiefstal was dus zeer lucratief. Zo werd in de nacht van 17-18 maart een grote partij Rhodesia bij Batco gestolen.
Er waren 7 fabrieken die Rhodesia vervaardigden w.o. Batco, Laurens, Ardath, Turmac en Crescent. De laatste voorzag de pakjes van een noodbanderol. Rhodesia is er in gewone verpakking en als schuifdoosje.



De eerste 2 weken van april 1946 werd op bonnen geen Rhodesia verstrekt, men kreeg shag er voor in de plaats. Winkeliers die nog voorraad hadden adverteerden er mee. Na 15 april waren er weer sigaretten op de bonnen verkrijgbaar.
Eind mei waren merksigaretten (van de eigen fabriek) op komst. Maar eerst moest Rhodesia uitverkocht zijn, want er waren nog grote voorraden. Er komen drie prijsklassen merksigaretten: 48 ct, 60 ct en 72 ct. De merksigaretten van 60 ct zijn van de kwaliteit Rhodesia.
Doordat de winkeliers niet tijdig bevoorraad konden worden met Rhodesia om deze uit te verkopen werd de verkoop van merksigaretten uitgesteld. Op 20 juni 1946 meldden de winkeliers dat de laatste Rhodesia sigaretten waren verkocht en konden de sigarettenfabrieken eindelijk hun eigen merken produceren. De behoefte aan sigaretten was groter dan voor 1940 omdat ook vrouwen meer waren gaan roken. Er was behoefte aan 700 miljoen sigaretten terwijl de toen huidige productie slechts 250 miljoen was.

Verpakkingen Rhodesia:

Op de naam Rhodesia werden spotteksten gemaakt:
           Regering Holland Ontdekt Deze Ellendige Sigaretten In Afrika
           Rot Hitler Ontdekt Deze Ellendige Sigaret In Afrika
           Roosevelt Heeft Ontdekt Deze Ellendige Sigaret In Amerika

De distributie in 1945-1946 heeft veel haperingen gekend, met telkens uitstel van de datum van invoering. Ook aan de behoefte van de roker 60-80% van de rantsoenen in sigaretten is niet gehaald. Men bleef steken op 40-60%.
Met het verdwijnen van de Rhodesia eenheidssigaret (nauwelijks 1 jaar op de markt geweest) was de ellende nog niet voorbij. De aanvoer van tabak bleef ondermaats zodat in november 1946 de regering opnieuw tabak moest inkopen om de voorraad aan te vullen. Die kwam uit Zuid-Amerika, lees hiervoor het artikel: Sigaretten uit Zuid-Amerikaansche tabak
. 
klik op de link

Bronnen:

·          Krantenarchief Delpher

·          Alg.Rijksarchief toegangsnr.2.06.076.02

·          De Tabaksdetaillist 1946
·          knipsel: herkomst onbekend
·          Tabaksverpakkingen uit de collectie van F.Tijmstra.


woensdag 5 september 2018

Tabaksfabriek J.P.Zwier en H.N. Zwier - Amsterdam

Vooraf
Op 19 mei 1860 startte G.W.L. van Elwe een tabaksaffaire in tabak, snuif en sigaren in de Weteringstraat 90 in Amsterdam. In datzelfde jaar ging hij in ondertrouw met F. J. Bruant en trouwde op 23-10-1860. Vanaf ongeveer 1865 werkte Jan Paulus Zwier, spottend “Jantje Pietje” genoemd, in de zaak van Van Elwe. De zaak heette van oudsher “Het wapen van Spanje” en werd in 1707 opgericht.
Op 24 september 1877 kwam Van Elwe op 47-jarige leeftijd te overlijden, de zaak ging verder onder de naam Wed. G.W.L. van Elwe-Bruant maar niet lang.
Want op 16 januari 1878 nam Jan Paulus ( J.P.) Zwier de zaak over. Jan Paulus zou zijn hele leven vrijgezel blijven.

Jan Paulus Zwier
Na de overname handhaafde J.P.Zwier de firmanaam “Firma G.W.L. van Elwe”. In 1881 liet hij het merk “Het wapen van Spanje” en “Het Rijksmuseum” inschrijven in het merkenregister.
Inmiddels verkocht hij niet alleen tabaksproducten maar fabriceerde ook tabak, snuif en sigaren. Ook bleef hij sigaren van anderen verkopen zoals de merken “Schuttersmaaltijd” en “Kroonprinses Wilhelmina” later veranderd in “Koningin Wilhelmina”.


De firma had een winkel, een kerverij op de begane grond, en een sigarenmakerij op de bovenste verdieping. 

In 1888 kwam op 12-jarige leeftijd zijn neef Hendrik Nicolaas Zwier (H.N.), als halve wees naar Amsterdam. Hij kwam bij J.P. in de leer om het vak te leren.
Het familiebedrijf bestond toen uit J .P. Zwier de eigenaar, Grootje, de grootmoeder van H .N. Zwier die bij J.P. kwam wonen en het huishouden bestierde, H.N. Zwier, de meesterknecht en nog een knecht. Afzetgebied van hun producten was Amsterdam, Zaanstreek en Gorkum waar familie woonde. Vaak werden de bestellingen in de regio met de auto rondgebracht.
In 1895 werd de Weteringbrug weggehaald, hetgeen de bereikbaarheid naar de winkel verkleinde. Hendrik maakte daarom een aantrekkelijke etalage om het klantenbezoek te stimuleren.
De sigarenmakerij werd omstreeks 1900 opgeheven, er werden alleen sigaren van andere fabrieken in de winkel verkocht.


Jan Paulus raakte aan de drank en leefde tenslotte alleen op jenever spek en spekvet. Eigenlijk runde Hendrik toen al de tabaksfabriek “het wapen van Spanje”.


In 1910 werd door gebrek aan activa het faillissement over de firma uitgesproken. J.P. verliet de zaak, maar bleef boven de fabriek wonen. 

Hendrik Nicolaas Zwier
Hendrik nam de zaak over en wist de fabriek weer winstgevend te maken. Vooral tijdens de 1e wereldoorlog werd er goed geboerd. Er lagen grote voorraden tabak in de fabriek opgeslagen zodat er geen sprake was van schaarste.


In 1920 werden de oude panden aan de Weteringstraat afgebroken en werd op dezelfde plek een nieuwe fabriek gebouwd. Links de winkel met daarachter de kerverij met een tabakseest (nog met kolen gestookt), een steelpletmachine en een kerfmachine.
Rechts aan de voorkant achter de dubbele deuren stond de auto en was tevens de ingang van de fabriek. 

Ondanks de roerige dertiger jaren bleef Hendrik de fabriek draaiende houden. Tijdens de 2e wereldoorlog ging het echter bergafwaarts. Gebrek aan tabak doordat de aanvoer uit Nederlands-Indië staakte deden uiteindelijk de fabriek de das om. In 1946 heeft H. N. Zwier zijn zaak opgeheven. Een broer van Hendrik zou de zaak overnemen maar omdat hij bij nader inzien er toch geen brood in zag is het doek definitief gevallen. Daarmee kwam een einde aan een bijna 70-jarig familiebedrijf.

Na de sluiting
Hoogstwaarschijnlijk zal het fabrieksmerk doorverkocht zijn, want rond 1946/1947 verschenen er pakjes tabak met opschrift “gefabriceerd door tabaksfabriek v/h H.N.Zwier” op de markt. Het zijn met name verpakkingen amateurtabak uit 1946/47. Op de Banderollen staat de fabrikant vermeld: Tabaksfabriek C.G.J.Faber Alkmaar. Op de zijkant van de witte pakjes amateurtabak staat een ander adres: Singel 7-9 Amsterdam-C. In dat pand was op de begane grond een bedrijfsruimte gesitueerd. Heeft Faber hier met de machines van H.N.Zwier geproduceerd? Of werd het gebruikt voor de distributie van tabak voor de afnemers uit Amsterdam e.o.? We kunnen er alleen maar naar raden.
                 
Ook het oude merk 1707 van Zwier werd van stal gehaald, met de toevoeging “oudste tabaksfabriek in Nederland”. Deze pakjes zijn van iets latere datum en komen ook van Faber uit de Spanjaardstraat 19 in Alkmaar.


Over de fabriek van Faber is verder weinig bekend. Aangenomen mag worden dat de productie van korte duur is geweest en rond 1950 werd beëindigd.
         

Bronnen:
-          Delpher krantenarchief diverse kranten uit 1860-1946
-          Correspondentie met Prof. F.H.Kreuger (2013)
-          Foto’s en afb. uit het familiearchief van F.H.Kreuger
-          Verpakkingen uit diverse privécollecties

donderdag 23 november 2017

SIGARETTEN UIT ZUIDAMERIKAANSCHE TABAK

In september 1946 klaagden de winkeliers over de slechte distributie van tabaksproducten in ons land. Er was met name een tekort aan sigaretten. Om de sigarettenkeuze te verruimen heeft de regering een partij Zuid-Amerikaanse tabak aangekocht waardoor er 43% sigaretten meer konden worden gefabriceerd. De nieuwe sigaretten werden niet gesausd, en de prijs werd op 40+8ct per pakje gesteld. Men bepaalde wel dat de rantsoenen niet verhoogd werden. 
De sigaretten waren louter bedoeld om tegemoet te komen aan de wens van de roker om uitsluitend sigaretten op hun bonnen te ontvangen. Half oktober begonnen enige fabrieken reeds met de levering van de “donkere” sigaretten.


In november protesteerde de detailhandel tegen deze Domingo (Zuid-Amerikaanse) sigaret. Het publiek  wilde deze sigaretten niet vanwege hun smaak. Om de ingekochte tabak toch kwijt te raken werden in de maanden november en december 210.000.000 sigaretten gemaakt. Hoewel  talrijke winkeliers de sigaretten wilden ontvangen bleek het merendeel ontstemd over de kwaliteit.


Het Rijksbureau voor Tabak en Tabaksproducten ( R.B.T.T.) bepaalde dat deze winkeliers hun sigaretten konden inleveren. Voor de ingeleverde sigaretten werden geen normale sigaretten verstrekt, maar vond rantsoenverrekening plaats. Wie in aanmerking wil komen voor gewone sigaretten moest ook Zuid-Amerikaanse af nemen omdat de fabrikanten verplicht werden deze te fabriceren.

Eind november meldde het R.B.T.T. dat de verrekening met de rantsoenen op zijn vroegst in maart 1947 kon plaats vinden. Het R.B.T.T. beval de industrie en groothandel de Zuid-Amerikaanse sigaretten aan de detailhandel te blijven afleveren. Bij weigering van de winkelier mocht geen enkel ander tabaksproduct worden verstrekt. De vakgroep detailhandel  in Tabak en Tabaksproducten adviseerde daarom hun leden de sigaretten niet in te leveren.


Intussen heeft de in brede kringen geuite kritiek zeer zeker effect gehad. Begin 1947 is men op zoek gegaan naar betere tabakken. Men kocht uitstekende Amerikaanse Virginia-tabakken van een constante melange en in de tweede helft van 1947 werd een rantsoenverdubbeling in het vooruitzicht gesteld. Intussen slonk de voorraad Zuid-Amerikaanse sigaretten.


Vanaf 1 november 1947 mochten de restanten Zuid-Amerikaanse sigaretten zonder bon verkocht worden. Dat gold niet voor de andere merken. Aan de sigarettenfabrikanten werd medegedeeld dat het vanaf 1 november verboden was de tekst “vervaardigd van Zuid-Amerikaanse tabakken” op de verpakking te vermelden. Daarmee kwam een eind aan een slecht inkoop avontuur van Zuid-Amerikaanse tabak.
De pakjes Zuid-Amerikaanse sigaretten zijn dus maar 1 jaar in omloop geweest



20 sigaretten 40+8ct
links: pakje Superbe overgeplakt met sticker Brados

rechts: pakje Ohio, met tekst noodverpakking op achterzijde.


Tekst achterzijde Dobraz:
Deze sigaretten zijn met de grootste zorg vervaardigd van door de
Regeering ter beschikking gestelde Zuid-Amerikaansche tabakken.

Zuid-Amerikaanse sigaretten zijn o.a. gefabriceerd door De Unie van Tabaksfabrieken, merk Fine.  Batco (British American Tobacco Company) bracht het merk Lister uit en Dobbelmann een schuifdoosje en een smalle cupverpakking Olifant. Voor al deze sigaretten geldt de eenheidsprijs 40+8 ct. Van de andere afgebeelde merken is de fabriek nog niet gevonden.

Bronnen:
-           Krantenarchief Delpher
-           Alg.Rijksarchief toegangsnr.2.06.076.02
-           De Tabaksdetaillist 1947
-           Tabaksverpakkingen uit diverse collecties o.a F.Tijmstra, L.Bracco Gartner, C.Molendijk

  

donderdag 2 maart 2017

Tabaksfabriek Huiser & Zonen - Groningen

In de jaren twintig van de vorige eeuw telde de stad Groningen ruim 50 geregistreerde sigarenmakerijen, sigarenfabrieken, tabakskerverijen en tabaksfabrieken. Verreweg de meeste waren klein van omvang, soms was er sprake van huisarbeid. Huiser is klein begonnen en groeide uit naar een kleine middelgrote fabriek. 


Jan Antoni Huiser begon zijn loopbaan als knecht bij de tabak- en sigarenfabriek van Aalfs en Zoon aan de Heeresingel 13 in Groningen. De fabriek “Het wapen van Nederland” bracht een assortiment van pijptabakken uit voorzien van een gedeponeerd sluitetiket met twee nimfen. Aalfs huurde ook twee bovenverdiepingen van een pakhuis op een binnenplaats van de Gelkingestraat. Daar lag de tabaksvoorraad en werden kistjes getimmerd. Op 9 oktober 1913 ging Huiser met zijn kameraad het pakhuis binnen en liet zijn olielamp vallen waardoor brand ontstond. Twee verdiepingen werden ernstig beschadigd en de tabaksvoorraad van 7000 gulden ging totaal verloren. Bedrijfsverzekerings maatschappij Labor betaalde de gehele schade al in november 1913 uit. Dat ging vroeger een stuk sneller.


In 1914 vroeg J.A.Huiser & Zonen i.v.m de hinderwet een vergunning aan voor het drogen en bewerken van tabak voor het pand Winschoterdiep Oz 29. Hier is hij gestart met zijn eigen loonkerverij en stelenpletterij. Hij verkocht het als goedkoop binnengoed voor sigaren.
 Aannemelijk is dat Aalfs inmiddels gestopt is, want Huiser is in het bezit van het handelsmerk van Aalfs “Het wapen van Nederland”. 

In 1917 neemt hij een knecht in dienst en de zaken gaan voorspoedig, mede door de vele advertenties die hij in de beginjaren in de krant liet plaatsen. In 1919 is hij verhuisd naar de Oostersingel 9, waar hij op de voorgevel de tekst:  Stoomtabaksfabriek “Het wapen van Nederland” liet plaatsen.
Ook op zijn briefpapier is het wapen terug te vinden.


 


Hij verkocht zijn rook- en pruimtabak vooral in de regio rond Groningen onder de merken: Reclame Heerenbaai, Neerlandia, halfzware pruim no.5, Rook- en pruimtabak no.2 , Friesche Heerenbaai, Heren Baai Tabak, Blanke Baai tabak en meer algemene benamingen.


Jan Antoni overleed in 1921 op 64-jarige leeftijd. Andries en Josephus Huiser nemen de fabriek over.
In mei 1926 brak er onder de sigarenmakers en tabaksbewerkers een staking uit. Het conflict ging over lonen en werd ondersteund door de Federatie van sigarenmakers en tabaksbewerkers. Met z.g.n. “werkwilligen” trachtte Huiser de productie gaande te houden.
Sommige winkeliers staakten de verkoop van Huiser’s tabak uit sympathie voor de stakers. Het duurde tot 18 augustus voordat het conflict werd opgelost.
Na de staking breidde Huiser zijn verkooppunten uit. In 1928 werd zijn tabak zelfs in Zeeland verkocht. Als beeldmerken werden de tabaksplanter en de Nederlandse leeuw gebruikt. Tot aan de 2e W.O. hebben er bij Huiser geen opzienbarende zaken voorgedaan. De kerfmachine (stoom) werd inmiddels voortgedreven door elektriciteit.

In de oorlog leed de fabriek net als alle andere aan tabakschaarste. De tabaksverwerking stond bij Huiser op een laag pitje. Om werkgelegenheid te behouden gingen andere fabrieken, mits ze toestemming verkregen, over op de verwerking van inlandse tabak (amateurtabak). Huiser deed daaraan niet mee. Wel produceerde hij in 1947-48 gedenicotiniceerde tabak (zonder nicotine) die zonder bon kon worden aangeschaft. Toen de tabaksdistributie in 1949 werd opgeheven bracht Andries Huiser tussen 1949 en 1952 nieuwe merken op de markt: Cupido, Hippos, Roll-in, Timber Town, Senang en Scooter die van een octrooi werden voorzien. Later volgden Maple leaf en Half and half.



De opbloei was voornamelijk te danken aan shagtabak waar de meeste vraag naar was. Daardoor werden sigaren, rooktabak en vooral pruimtabak minder verkocht. In de vijftiger jaren sloten veel kleine en middelgrote fabrieken hun deuren door faillissement of werden door grotere fabrieken overgenomen. Huiser & Zonen beëindigde in 1961 de bedrijfsactiviteiten, de merken en het klantenbestand werden overgenomen door Heupink en Reinders uit Ootmarsum. Zij brachten o.a. het merk Huiser op de markt en gebruikten daarvoor het beeldmerk van de twintiger jaren. 


Links pak 250 gram Heupink en Reinders omstreeks 1985. Rechts advertentie 1923

Het gebouw met de naam van de fabriek bleef tot vandaag de dag bestaan. Jarenlang heeft het pand een winkelbestemming gekend, in 2016 is het pand verbouwd tot woonbestemming.

foto uit 2016
Bronnen:
-          Delpher, krantenarchief
-          J.Romkes, Octrooien
-          Groninger archieven: hinderwetvergunningen
-          Voorwerpen uit privé verzamelingen

Zie ook: https://groninganus.wordpress.com/2014/02/02/de-tabaksmerken-van-huiser/

donderdag 7 juli 2016

FIRMA B.H.WASMANN - Amsterdam

Firma B.H.Wasmann - Amsterdam

De firma Wasmann, opgericht in 1854, stond vooral bekend als fabriek van tabak- sigaren- en sigarettenpijpen van meerschuim en barnsteen. De pijpen werden in de eigen werkplaats vervaardigd, tevens werden er pijpen gerepareerd. Naast de werkplaats,( ingang Amstel 6), was er de winkel, (ingang Reguliersbreestraat 7) die in het doorlopende pand met elkaar verbonden waren.

Op 28 december 1973 stond het in de krant: “Oudste pijpenwinkel verdwijnt”. Bedoeld werd de vanaf 1854 gevestigde zaak van  Wasmann in de Reguliersbreestraat 7 in Amsterdam. Ik kende de zaak alleen van buiten. Nu was er opheffingsuitverkoop, dus een mooie gelegenheid om eens naar binnen te stappen. In de winkel werd ik geholpen door de eigenaar zelf, de 80-jarige heer Plankeel, die met zijn 75-jarige vrouw de zaak runde. (zie afb.1.) Het interieur was nog geheel in oude stijl gebleven. Tegen de muur stonden bruine kasten waar achter glas houten en meerschuimen pijpen waren opgesteld. In het midden van de winkel stond een lange toonbank met een ouderwetse zilverkleurige kassa. Aan de wanden hingen grote Duitse porseleinen pijpen. Vragend naar de prijs antwoordde de heer Plankeel dat die al verkocht waren en gezien mijn budget had ik ze toch niet kunnen bekostigen. De uiteindelijke aanwinst waren twee gladde meerschuimpijpen en een lade met pijpenonderdelen voor de meerschuimen pijpen. Die kwamen uit het achterste gedeelte van de winkel, waar de pijpen tot voor kort nog gerepareerd werden. Later zou blijken dat zich in de la een bijzonder stuk handgereedschap bevond.

afb.1 De heer L.F.Plankeel achter de toonbank
Rond 1900 heette de zaak “ Anciennes maison des pipes” en noemde zich pijpenfabriek. Dat stond bovenaan de gevel aan de Amstelzijde. De zaak liep door van Amstel 6 naar de Reguliersbreestraat 7.
In 1899 werd het pand grondig verbouwd. Behalve de winkel op de begane grond telde het pand drie verdiepingen en een zolder.
Het winkelgedeelte lag aan de Reguliersbreestraat. Middenin was een kleine ruimte voor het kantoor en aan de Amstelzijde helemaal achterin was het magazijn gesitueerd.
Het magazijn werd later gebruikt als werkplaats voor het bewerken van barnsteen. De verdiepingen werden gebruikt om te wonen. Naast de woon- en slaapkamers had het pand een badkamer, een voor die tijd grote luxe. Op de derde verdieping was de kamer van de dienstbode gesitueerd.
De grondvester, de heer Wasmann kwam oorspronkelijk uit Wenen en was van origine meerschuimdraaier, ook wel kunstdraaijer genoemd. Wasmann bewerkte naast het meerschuim ook barnsteen. De meerschuimen pijpen werden afgemonteerd met zilveren ringen en mondstukken van barnsteen.

Afb.2  Verbouwing van het pand aan de Amstelzijde
Er is een anekdote over Paul Kruger. Toen hij op zijn 77e verjaardag in Utrecht was ontving hij van twee generaals een prachtige pijp van de firma B.H.Wasmann Jr. De houten pijp was voorzien van een barnstenen mondstuk en van binnen bekleed met zilver. De secretaris van Paul Kruger “betuigde herhaaldelijk zijn grote tevredenheid over het geschenk”, en schreef onderaan de brief  “Geen publicatie s.v.p.”. Het liep echter anders, want in 1901 stond het toch in de krant tot genoegen van de heer Wasmann.

Barnsteen is een versteend hars van de dennenboom van miljoenen jaren oud. Het is een kwetsbaar materiaal en wordt na verloop van jaren bros en breekbaar. Vandaar dat de pijpen in bijpassende etuis die van binnen met stof gevoerd waren werden verkocht, dikwijls voorzien van het naamstempel van de firma. In de etuis van Wasmann hebben de firmastempels kleine verschillen. (Zie afb.3) Behalve onderdelen voor de pijp maakte Wasmann ook sieraden van barnsteen, geel of roodachtig van kleur.
Afb.3 merken uit de etuis
Zo af en toe komt men nog een product tegen uit de vroegere winkel van Wasmann. Meestal zijn het eenvoudige meerschuimen sigarenpijpen met barnstenen mondstuk in een op maat gemaakt etui. Soms vindt men een figuraal model  zoals de “hand met beker”, waarbij de hand van meerschuim is gemaakt en de beker en het mondstuk van barnsteen. De meerschuimen hand bestaat ook in een bruin geverfde versie.

In de lade met onderdelen bevonden zich restanten van de hand met de beker. Je zag dat het gebruikte onderdelen waren en opvallend was dat de handen enigszins van kleur en vorm verschilden.
Verder zat in de lade een stuk gereedschap uit de werkplaats van Wasmann waarvan ik de naam en de functie niet kende. Kort geleden stuitte ik op een advertentie uit de serie Vakmanschap is Meesterschap. Dat zijn foto’s die Paul Huf in de zestiger jaren van oude ambachten heeft gemaakt voor de reclames van Grolsch. Een van de foto’s, gepubliceerd in 1969, werd bij Wasmann gemaakt. Op de foto ziet men de pijpenmaker bezig met het uitvijlen van de hals van een pijp. (zie afb.4) Op afb. 5 het stuk handgereedschap uit mijn collectie. Helaas heb ik over de techniek van het ambacht geen gegevens kunnen vinden.

Afb. 4  Detail foto pijpenreparateur
Afb. 5  Detail handgereedschap
             Coll.F.Tijmstra

Afb.6 Meerschuimpijp firma Wasmann. Veiling Dickhaut 2003
Hoewel Wasmann gespecialiseerd was in meerschuim en barnsteen verkocht hij ook pijpen van ander materiaal, zoals porseleinen pijpen. Opmerkelijk is dat hij op de pijpenkop zijn naam liet plaatsen. Dat gebeurde voor het glazuren. Ook bij de niet handbeschilderde exemplaren kwam zijn naam voor.


Voorstelling: twee herten bij boom -  collectie John Gaarthuis
De laatste jaren van zijn bestaan werden er bij Wasmann geen pijpen meer gemaakt, wel werden reparaties uitgevoerd voor vaste klanten. De winkel was intussen een speciaalzaak voor rokersbenodigdheden geworden.

Op 15 januari 1974 sloot de firma haar deuren. De zaak heeft dan precies 120 jaar bestaan. Een opvolger was er niet en daar komt bij dat de belangstelling voor pijproken sterk verminderde. Niet lang daarna krijgt het pand  een andere bestemming en in 2007 werd het opnieuw te koop aangeboden.

Afb. 7 Inpakpapier van de firma uit 1974. Coll.F.Tijmstra
Afb.8 Sigarenpijpje van witte meerschuim met geel barnstenen mondstuk in etui.Coll.F.Tijmstra
Afb.9 Sigarenpijpje (gebroken) van geel barnsteen in etui.Coll.M.Rutten


afb.9a Marktplaats
Afb.10 Hand met beker  – veiling Catawiki 2016
Afb.11 Hand met beker Collectie M.Rutten

afb.12 Sigarenzakje Coll. P.Lingg

afb.13  Barnstenen sigarettenpijpje. Coll. M.Rutten

afb.14 etui met rood barnstenen sigarenpijpje. Foto Arie Koper

afb.15  Etui geopend. foto Arie Koper

afb,16 Veiling Catawiki

afb.17 Veiling Catawiki

De winkel van Wasmann stond vlak bij het Rembrandtsplein in een toeristisch gebied.
Hij verkocht aan toeristen eenvoudige sigaren- en sigarettenpijpjes om als aandenken van het bezoek aan Amsterdam mee te nemen. Apart zijn de sigarenpijpjes van weichselhout met teksten Souv. d'Amsterdam en Leipzig. Soms werd het pijpje in een weichselhouten koker verkocht.


afb.18 souvenirpijpjes van weichselhout

Een bijzonder exemplaar is een weichselhouten sigarenpijp met een schroefdop om het kwetsbare mondstuk te beschermen.Boven op de dop is in metaal een kijkglaasje gemonteerd. Het plaatje laat een jongeman zien die voor een jongedame staat. Drukt men op het palletje boven op de dop dan verschijnt een tweede plaatje waarbij de jongedame haar been optilt en haar rok omhoog trekt terwijl de jongeman een schrikbeweging maakt. Een ondeugend mannenvermaak.

afb,19 sigarenpijpje met kijkglaasjes

 

sluitzegel 
Tot de verkoop in 1974 zat in het pand de tabakswinkel, Daarna is er jarenlang een sexcinema gevestigd. Het pand werd verhuurd voor ruim 76000 euro per jaar aan handelsonderneming Cinetex met een contract tot juni 2009. De uiteindelijke koper diende daar rekening mee te houden. Later is de voorgevel gemoderniseerd en tegenwoordig (2016) wordt in het pand horeca bedreven.

Bronnen:
-          Het Parool 28 december 1973 pag.7
-          Leeuwarder Courant 25-08-1954
-          Vakmanschap is meesterschap (1969) uitg. Grolsche Bierbrouwerij N.V
-          Beeldbank Stadsarchief Amsterdam. Afbeeldingsbestand: 5221BT912699
-          Internetveiling  Dickhaut 2003
-          Internetveiling  Catawiki 2016
-          Foto pand 2007 uit makelaarsbrochure